De provincie Limburg

 

Overzichtskaart Limburgse gemeenten
ons land - focus


Welkom in Limburg!

Inleiding en bronvermelding
Algemene Geschiedenis
's Lands Glorie
Bezienswaardigheden
Home
           
banner
Vlag Limburg

Klik op een gemeentenaam en je krijgt een overzicht van de bezienswaardigheden. De kleur waarin een gemeente is weergegeven, is een subjectieve keuze. Het is enkel een indicatie welk type van bezienswaardigheid volgens ons het belangrijkste is. Oranje duidt op bezienswaardigheden die van historisch belang zijn. Groen duidt op natuurschoon en blauw op de rest: het is wel zo dat blauw vooral duidt op folkloristische bezienswaardigheden en in mindere mate op moderne attracties. De kaart zal stelselmatig bijgekleurd worden, de gekleurde gemeenten zijn dus al te "bezoeken".

De provincie Limburg is een van de vijf provincies van Vlaanderen en een van de tien provincies van BelgiŽ. De hoofdstad van de provincie is Hasselt. De provincie grenst in het noorden aan de Nederlandse provincie Noord-Brabant, in het oosten aan de Nederlandse provincie Limburg, in het zuiden aan Luik, en in het westen aan Vlaams-Brabant en Antwerpen. Geografisch geÔsoleerd van de rest van de provincie ligt, sedert het vastleggen van de taalgrens in 1963, in het oosten de gemeente Voeren (Voerstreek) als een exclave geklemd tussen Luik en Nederlands Limburg. Naast de Voerstreek bestaat Limburg uit vier landstreken: Haspengouw (waartoe Voeren ook gerekend wordt), het Maasland en de Kempen, dat opgedeeld wordt in Noord-Limburg en Midden-Limburg.

Algemene gegevens

Geschiedenis

Tijdens de middeleeuwen lagen hier het graafschap Loon en vele heerlijkheden. Na de Loonse Successieoorlogen ging de heerschappij over Loon naar de prins-bisschop van Luik. De BourgondiŽrs trachtten het gebied in te lijven, waarop de drie Luikse Oorlogen uitbraken. Als kerkelijke staat was het prinsbisdom echter onafhankelijk en daarom heeft het nooit deel uitgemaakt van de Zuidelijke Nederlanden. Wel kwamen sommige heerlijkheden via familiale banden of als redemptiedorp bij andere staten.

Het prinsbisdom Luik had geen noemenswaardige defensie en was het strijdtoneel van verschillende oorlogen, waaronder de Spaanse Successieoorlog. Het lag dan ook ingeklemd tussen de Zuidelijke Nederlanden, de Republiek, Pruisen en Frankrijk. Ook het strategisch belang van Maastricht speelde hierin een grote rol. Toch werd de Luikse onafhankelijkheid pas geschonden in 1794, met de inval van de Franse revolutionairen. Die voegden de vele kleine gebieden samen tot een departement: Beneden-Maas, dat naast Belgisch- ook Nederlands-Limburg omvatte. Maastricht was daarvan de hoofdstad.

Toen het departement na het Congres van Wenen bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd gevoegd, gaf koning Willem I het de naam "Limburg", naar het oude hertogdom Limburg. Bij de Belgische Revolutie sloot de hele provincie zich aan bij de Belgen, met uitzondering van de stad en de citadel van Maastricht. Als gevolg van het scheidingsverdrag van 1839 werd Limburg gesplitst met onder andere de Maas als grens. Willem kreeg het oostelijke deel van de provincie terug, weliswaar als hertog van Limburg.

In 1963, bij het vastleggen van de taalgrens, werden zes gemeenten in de Jekervallei rond Bitsingen van het Vlaamse Limburg naar de Waalse provincie Luik overgeheveld; de zes gemeenten van de Voerstreek volgden de omgekeerde beweging (na een heuse taalstrijd). Van de huidige provincie behoorde alleen de Voerense deelgemeente Teuven tot het historische hertogdom Limburg, dat nu grotendeels Luiks is. Op 9 december 2008 ondertekenden de gouverneurs van de beide Limburgen het Limburgcharter. De provinciebesturen hopen dat de provincies nauwer gaan samenwerken en meer als ťťn geheel worden gezien (zo zouden voortaan de benamingen West- en Oost-Limburg gehanteerd worden).

Industrie

Bij de volkstelling van 1846, de eerste na de afstand aan Nederland van een deel van de provincie, was Limburg met 185.913 inwoners naar bevolking de kleinste provincie van BelgiŽ net na de provincie Luxemburg. Tot 1900 zou de groei beperkt blijven en lager liggen dan het nationale gemiddelde, gelijke tred houdend met deze van de andere rurale provincies. Door de ontginning van steenkool vanaf het begin van de 20e eeuw en vooral door de - in vergelijking met de rest van het land - latere en tragere daling van het geboortecijfer in de Kempen tijdens de 20ste eeuw veranderde deze situatie helemaal en nam de bevolking spectaculair toe, zodat Limburg over de periode 1846-2008 uiteindelijk de sterkste groeier zou blijken van alle Belgische provincies. Enkel in wat nu het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is was het groeiritme nog sterker.

De ontdekking van steenkool in het begin van de 20e eeuw betekende voor Limburg een keerpunt. Op 20 mei 1901 ontdekte de Leuvense professor Andrť Dumont in het buurdorp As een steenkoollaag, een gebeurtenis die een immense invloed zou hebben. Steenkoolmijnen verschenen in het landschap. Werkkrachten werden aangetrokken uit een aantal Europese en Noord-Afrikaanse landen. De integratie van deze mengelmoes aan nationaliteiten verliep hier zo goed als rimpelloos. De Ford-fabriek te Genk die er kwam na stevig lobbywerk van gouverneur Louis Roppe zorgde voor een nieuwe economische boost na de sluiting van de mijnen in het laatste kwart van de vorige eeuw.

Cultuur en identiteit

Zowel de Belgische als de Nederlandse provincies met de naam Limburg kenmerken zich door een duidelijke eigen identiteit die onder andere bestaat uit een eigen streektaal, het Limburgs. Het is sinds 1997 door de Nederlandse overheid erkend als regionale taal onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. De Belgische regering erkent de streektaal vooralsnog niet en de taal wordt door niet veel kinderen in Belgisch-Limburg meer aangeleerd, waardoor het Belgisch-Limburgs als minderheidstaal aan het begin van de 21e eeuw veel meer onder druk staat dan het Limburgs in Nederland. Volgens huidige inzichten is het Limburgs in essentie een Nederfrankisch dialect met Keltische substraten maar met de, voor Europese talen, vrij unieke eigenschap van tonaliteit in sommige varianten.

Verdere culturele bijzonderheden zijn de vele fanfares, harmonieorkesten en schutterijen en culinaire specialiteiten als de Limburgse vlaai en de Limburgse kaas. De schutterijen (Nederlandse en Belgische) meten zich jaarlijks in het Oud Limburgs Schuttersfeest (OLS). Ook carnaval (vastelaovend in het Limburgs) wordt uitgebreid gevierd in Limburg.

Volkslied

Limburg mijn Vaderland is het officiŽle Limburgse volkslied voor beide Limburgen. Het volkslied is geschreven in het Nederlands en wordt in de volksmond ook wel Waar in 't bronsgroen eikenhout genoemd vanwege de eerste zin. Het bronsgroen eikenhout waarover Gerard Krekelberg dichtte, waren de (ondertussen verdwenen) eikenbomen rond het kasteel Borgitter in Kessenich. Dit kasteel ligt op de boord van de Itterbeek op de grens met de dorpskern van het Nederlandse Neeritter.

In Belgisch-Limburg worden enkel de eerste drie strofen gezongen, doorgaans door jeugdbewegingen, studentenverenigingen en op manifestaties. In Nederlands-Limburg bestaat nog een vierde strofe die later werd bijgevoegd maar die meestal niet meer wordt gezongen.