ons land - focus

 

De Romeinse Tijd - Algemeen
Het Romeinse Rijk
Romeinen in België
Wat blijft er over?
Home
           
banner
Kaart van het Romeinse Rijk op het toppunt van zijn roem

Het Vierkeizerjaar en de Flavische dynastie (68 - 96 n. C)

Het Vierkeizerjaar, ook wel Driekeizerjaar genoemd, is een bijzonder turbulent jaar geweest waarin veel Romeinse legioenen zijn betrokken en vier keizers elkaar in korte tijd opvolgen. Deze burgeroorlogen beginnen in maart van het jaar 68 met de opstand van Vindex en eindigen met het uitroepen van Vespasianus tot keizer op 20 december 69.

Galba werd rond 67 in Hispania benoemd tot gouverneur. Er heerste grote onvrede over het corrupte bewind van Nero, vooral onder de gouverneurs van de provincies. Nero had Otho in 58 tot gouverneur benoemd zodat hij Otho's aantrekkelijke vrouw, Sabina Poppaea, voor zich alleen kon hebben. Hij nam haar in 62 officieel tot zijn tweede vrouw, maar schopte haar drie jaar later dood.

69 - 90 n. C - De Flavische dynastie

De Flavische dynastie is een dynastie van Romeinse keizers welke van 69 tot 96 aan de macht was.

De Flavii (Latijn: blond) waren een rijke Romeinse familie, die tot de patriciërs gerekend werden. De Flavii brachten uiteindelijk 3 keizers voort. De mannen kregen de naam Flavius, de vrouwen Flavia. Na het einde van de Flavische dynastie werd Flavius een populaire naam onder de edelen.

Het Flavische Huis kwam op na een burgeroorlog (het Vierkeizerjaar, zie hierboven) in 69 die het einde had betekend van de Julisch-Claudische dynastie.

De groep die gevormd werd door de Adoptiefkeizers & de Antonijnse dynastie volgde de Flavische dynastie op.

Keizers van de Flavische dynastie waren:

Romeinse Rijk tussen 60 en 400 na Christus.

Na de dood van Vindex (zie vorige pagina) ging de opstand tegen het keizerlijk gezag verder en de provinciale gouverneurs schaarden zich achter Servius Sulpicius Galba, de gouverneur van Hispania Tarraconensis. In januari 69 kwam Galba aan in Rome en werd terstond uitgeroepen tot keizer. De Rijnlegioenen accepteerden Galba echter niet als keizer en riepen hun commandant Aulus Vitellius uit tot keizer en marcheerden op naar Rome. Tevens maakte de eerlijke en zuinige Galba de fatale fout de Praetoriaanse Garde geen donativum toe te kennen.

De Garde werd door Galba's afgewezen rechterhand, Marcus Salvius Otho, omgekocht en hij werd vermoord. Otho werd nu de nieuwe keizer, maar kon slechts kort van het keizerschap genieten. Vitellius' legioenen waren namelijk in Noord-Italië aangekomen. Hoewel Otho de steun had van de legioenen in Afrika, Egypte en aan de Eufraat en de Donau, had Vitellius meer legioenen ter plaatse. De Donaulegioenen spoedden zich naar Otho's leger in Bedriacum, in de buurt van het Noord-Italiaanse Cremona, maar kwamen te laat voor het treffen tussen de beide legers op 14 april 69 (eerste slag bij Bedriacum). Otho wilde verder bloedvergieten voorkomen en pleegde op 17 april zelfmoord. Vitellius trok Rome binnen.

In juli van dat jaar riepen de legioenen in Judaea en Syria de gevierde generaal Vespasianus uit tot keizer. Hij kon vanwege de Joodse Opstand echter niet zelf naar Rome en hij stuurde zijn vriend Gaius Licinius Mucianus met de Syrische legioenen naar Europa. In Poetovio, in het huidige Roemenië, verklaarden de keizerloze Donaulegioenen o.l.v. Marcus Antonius Primus hun steun aan Vespasianus. De Donaulegioenen trokken in oktober Italië binnen en het kwam wederom in Bedriacum tot een treffen met de legioenen van Vitellius, die deze keer verslagen werden (tweede slag bij Bedriacum). Op 20 december trok Primus Rome binnen en de volgende dag nam Mucianus de macht over in naam van Vespasianus.

Vespasianus stichtte een nieuwe keizerlijke dynastie, de Flaviërs. Om zijn populariteit bij het volk te vergroten liet hij het Gouden Huis van Nero afbreken en in plaats daarvan bouwde hij het Flavisch Amfitheater, beter bekend als het Colosseum. Ook saneerde Vespasianus de staatsfinanciën met nieuwe belastingen. Hij herintroduceerde de urinebelasting van Nero, wat hij tegenover zijn zoon Titus rechtvaardigde met (geparafraseerd) de woorden: "pecunia non olet" ("geld stinkt niet"). Vespasianus stierf in 79 en joviaal als hij was eindigde hij zijn leven met de woorden: "Vae, puto deus fio" ("ik denk dat ik een god aan het worden ben") en "imperatorem stantem mori oportet" ("Een keizer moet staande sterven").

Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon Titus. Titus stond als jongeman bekend als een bijzonder wreed man, maar hij ontpopte zich tot een van de beste keizers die Rome ooit heeft gekend. In het eerste jaar van zijn regering barstte de Vesuvius uit en vernietigde de steden Pompeii en Herculaneum. Titus gaf gul geld aan de getroffenen. Hij heeft zelfs eens, toen hij een dag lang niets goeds gedaan had, gezegd: "Amici, diem perdidi" ("Vrienden, ik heb een dag verloren"). Op 13 september 81 stierf Titus op de leeftijd van 42 jaar, waarschijnlijk vermoord door zijn wrede broer, Domitianus.

Domitianus volgde Titus op en ontwikkelde zich al snel tot een tiran, die zich gehaat maakte bij de Senaat. Door zijn verhoging van de soldij en veldtochten tegen de Germaanse Chatten en de Daciërs ten noorden van de Donau maakte hij zich wel ongekend populair bij de legioenen. Hij veroverde een deel van Germania dat bekend werd onder de naam Agri decumates. In 96 werd Domitianus vermoord door zijn vrouw Domitia en leden van de Praetoriaanse Garde.

Buste van Vespasianus (Pushkin Museum). Kopie van het originele beeld in het Louvre.

69 - 79 n. C - Het Keizerrijk onder Vespasianus

Links: Vespasianus. Gipsen voorbeeld in het Pushkin museum. Kopie van het originele beeld in het Louvre.

Titus Flavius Vespasianus (Falacrina, 17 november 9 - Aquae Cutillae, 23 juni 79) was een Romeinse keizer van 69 tot 79. In het jaar 69 na Christus kwam er een ommekeer in het Romeinse Rijk. Na de dood van Nero, de laatste keizer van het Julisch-Claudische huis, streed een aantal prentendenten om de troon. De uiteindelijke nieuwe Romeinse keizer was Vespasianus, soldaat en man van het volk. Door alle willekeur van Caligula en Nero was het aanzien van de keizer niet geweldig. Om zijn positie onder het volk te versterken begon Vespasianus aan het Colosseum, een enorme schouwburg die vijftigduizend toeschouwers kon herbergen. Aan

de bouw hiervan zou verder gewerkt worden onder het bewind van Titus en Domitianus zou het Colosseum afmaken. De ruïnes ervan zijn nog steeds een trekpleister voor toeristen. Tijdens Vespasianus' regering onderdrukte zijn schoonzoon Cerealis de opstand van de Bataven onder Julius Civilis. Vespasianus werd opgevolgd door zijn zoon Titus.

Nadat Vespasianus volwassen was geworden, toonde hij lange tijd geen ambitie om senator te worden. Dat hij zich er uiteindelijk wel voor ging inspannen schijnt te zijn gekomen doordat zijn moeder dikwijls spot dreef met zijn gebrek aan ambitie. Vespasianus werd krijgstribuun in Thracië.

Als quaestor kreeg hij Kreta en Cyrene toegewezen. Vervolgens lukte het hem om tot aedilis en later tot praetor te worden verkozen. Als aedilis werd Caligula een keer kwaad op Vespasianus, omdat hij de straten niet goed genoeg had laten vegen, en liet hem bedekken met straatvuil. Als praetor liet hij geen gelegenheid voorbij gaan om Caligula te prijzen. Zo stelde hij voor om speciale spelen te organiseren om de "overwinning" van Caligula in Germanië te vieren, en dankte hij de keizer in het bijzijn van de senatoren dat hij hem had uitgenodigd voor een maaltijd. Ook eiste hij dat de samenzweerders tegen de keizer onbegraven zouden worden neergegooid, om zo hun straf te verzwaren.

Tijdens het bewind van Claudius I werd hij als legioencommandant naar Germanië gestuurd. Later werd hij overgeplaatst naar Brittannië waar hij 30 maal strijd leverde met de vijand. Hij bracht meer dan 20 steden en het eiland Wight onder Romeins bewind. Hiervoor ontving hij de onderscheidingstekens van een triomfator en ontving hij later een tweevoudig priesterschap en was hij onder Nero gedurende 2 maanden consul.

Tijdens het bewind van Nero kreeg hij de provincie Afrika toegewezen, dat hij zonder zichzelf te verrijken bestuurde. Hierna volgde hij de keizer bij zijn tournee in Griekenland, waarbij hij Nero ernstig beledigde, door meerdere malen niet aanwezig te zijn wanneer deze optrad als zanger, en in slaap te vallen als hij er wel bij was. Hierna werd hij geweerd uit de nabijheid van de keizer. Vespasianus vreesde voor zijn leven en trok zich terug in een klein afgelegen stadje. Tot zijn verbazing werd hem echter een staand leger en de provincie Judea aangeboden. De Joden waren namelijk in opstand gekomen en er was een doortastend veldheer met een groot leger nodig om de joodse opstand de kop in te drukken. Vespasianus werd boven de anderen uitverkoren omdat hij door zijn onaanzienlijke afkomst geen gevaar voor de keizer vormde. Het kostte Vespasianus en zijn zoon Titus jaren om de Joden te verslaan. De beslissende slag werd uiteindelijk door de Joden verloren in Jeruzalem. Vespasianus en Titus grepen zo hard in dat de Joden over de hele wereld verspreid raakten (de zogenaamde diaspora).

Na de dood van Nero brak er een burgeroorlog uit waarbij Rome in een jaar tijd vier keizers kreeg (het Vierkeizerjaar - zie hierboven). De eerste die de macht greep was Galba, deze werd vermoord. De tweede keizer was Otho, deze pleegde zelfmoord nadat zijn leger de eerste slag bij Bedriacum had verloren. De derde keizer was Vitellius die uiteindelijk verslagen werd door de aanhangers van Vespasianus. Dankzij de steun van zijn leger in Judea (dat op dat moment, vanwege de opstand bestond uit een kwart van alle Romeinse strijdkrachten), en de legers in Syrië, Egypte, Moesië, POannonië en Illyricum werd Vespasianus uiteindelijk uitgeroepen tot keizer.

Het belangrijkste kenmerk van zijn regeerperiode was Vespasianus' spaarzaamheid. Na de spilzieke grillen van met name Nero, Otho en Vitellius had het Romeinse Rijk behoorlijk ingeteerd op haar middelen. Vespasianus was dus gedwongen zuinig aan te doen. Een afdeling mariniers die hem durfde te vragen om een toelage voor schoenen omdat ze telkens te voet op en neer tussen Pozzuoli en Ostia Antica liepen, stuurde hij zonder ze te antwoorden weg en liet ze voortaan de tocht blootsvoets maken. Aangeklaagden konden zich, schuldig of onschuldig, vrijkopen en ambten waren bij Vespasianus ook gewoon te koop. Eén van zijn favoriete dienaren vroeg hem ooit een post op financiën voor een zogenaamde broer van hem. Vespasianus kwam er achter dat ze geen broers waren en liet het bedrag dat de dienaar was beloofd aan zichzelf uitbetalen en gaf de man de gewenste post. Tegen de dienaar die hem er over aansprak zei hij: "Zoek maar een andere broer; de man die je daar voor houdt is een broer van mij." Toen hem een reusachtig groot beeld werd aangeboden, waarvoor een enorm bedrag was verzameld, zei hij dat ze het onmiddellijk moesten plaatsen. Vervolgens stak hij zijn hand uit en zei "De sokkel staat al." Vespasianus voerde diverse nieuwe belastingen in. Zijn zoon Titus, die klaagde omdat hij zelfs een belasting op de urinoirs had bedacht, hield hij een munt onder de neus, en vroeg hem of het geld soms stonk. Toen Titus daar met "nee" op antwoordde, zei Vespasianus "En toch komt hij uit het urinoir". Hier vond de spreuk "geld stinkt niet" (pecunia non olet) zijn oorsprong. Het geld dat Vespasianus op deze manier heeft verkregen, is vooral gebruikt om het Romeinse Rijk weer op te bouwen.

Vespasianus was zich bewust van zijn nederige afkomst en gedroeg zich als keizer zoveel mogelijk als een gewoon burger. Zo trok hij, in tegenstelling tot zijn voorgangers, zelf zijn kleren aan, en werden mensen die zijn stamboom probeerden terug te voeren tot de stichters van Reate, door hem in hun gezicht uitgelachen. Vespasianus gedroeg zich lankmoedig naar anderen toe, en nam geen wraak op personen die hem voor zijn keizerschap onheus bejegend hadden. Veel dingen deed hij met een grapje af. Zo had een oud consul genaamd Mestrus Florus, Vespasianus er op gewezen dat hij "plaustra" en niet "plostra" moest zeggen. De volgende dag sprak Vespasianus hem aan met "Flaure" in plaats van zijn aanspreektitel Flore (Flaure is Grieks voor stuk onbenul).

Vespasianus maakte van Achaia, Lycië, Rhodos, Byzantium, Samos en Cilicia Tracheia, Romeinse provincies zodat deze hun vrijheid verloren. Toen Vespasianus aantrad werd Rome op vele plekken ontsierd door brandschade en vervallen gebouwen. Hij gaf daarom toestemming aan wie dat maar wilde braakliggend terrein in bezit te nemen om er zelf iets te bouwen. Hij zorgde ervoor dat het Capitool herbouwd werd, waarbij hij zelf symbolisch de eerste stukken puin wegdroeg. Verder liet hij een tempel voor de vrede, en een tempel voor de vergoddelijkte Claudius bouwen, en werd een begin gemaakt met de bouw van het Colosseum. Omdat er door de oorlog, een opeenhoping van rechtszaken was ontstaan, liet hij door middel van loting rechters aanstellen. Deze moesten er voor zorgen dat wat tijdens de oorlog gestolen was, weer aan de eigenaars werd terug gegeven.

Dat Vespasianus humor bezat bleek zelfs bij zijn overlijden. Naar verluidt zouden zijn laatste woorden zijn: "Ik geloof dat ik nu een god ga worden". Ook tijdens de begrafenis werden er nog grappen gemaakt over de legendarische zuinigheid van Vespasianus. Het was gebruikelijk dat tijdens een begrafenis een acteur de overledene imiteerde. De acteur die een masker van Vespasianus droeg vroeg hoeveel de begrafenis kostte. Toen er gezegd werd dat dit tien miljoen sestertiën was, riep de acteur dat ze hem honderdduizend sestertiën moesten geven, en zijn lijk maar in de Tiber moesten gooien.

Latere historici plaatsten Vespasianus wegens zijn grote verdiensten tussen de grootste imperators van Rome zoals Augustus, Septimius Severus, Hadrianus en Trajanus.

Buste van Domitianus in het Louvre.

81 - 96 n. C - Het keizerrijk onder Domitianus

Links: buste van Romeins keizer Domitianus. Antiek hoofd, lichaam toegevoegd in de 18e eeuw. Museum het Louvre (Mo 1264), Parijs. Daarvoor deel van de Albani Collectie in Rome.

Titus Flavius Domitianus, Romeins keizer (81 - 96), was de zoon van Vespasianus en de broer van Titus.

Hij was na Titus de tweede keizer binnen de Flavische dynastie die de troon door vererving verkreeg. Hij was bij de senaat, en vooral bij Tacitus, niet erg geliefd, maar hij was een kundig beheerder en bevelvoerder van het leger. Hij slaagde erin de schatkist weer gevuld te krijgen. Hij reorganiseerde de legioenen aan de Rijn. De 22e Primigenia werd van Neder- naar Opper-

Galba (10-06-68 - 15-01-69)Otho (15-01-69 - 17-04-69)Vitellius (18-07-69 - 22-12-69)

Chronologie van het Vierkeizerjaar (maart 68 - december 69 n. C)

Galba (10-06-68 - 15-01-69)

Otho (15-01-69 - 17-04-69)

Vitellius (18-07-69 - 22-12-69)

Buste van Titus in het Louvre

79 - 81 n. C - Het Keizerrijk onder Titus

Links: Titus - buste in het Louvre (Ma 3562), Parijs.

Titus Flavius Vespasianus (30 december 39 - 13 september 81), gewoonlijk alleen Titus genoemd, was keizer van Rome van 79 tot 81 en een telg van het geslacht der Flavii.

Onder Nero diende hij als militair commandant in Germanië en Brittannië en in 67 begeleidde hij zijn vader naar Judaea.

Toen zijn vader Vespasianus in 69 naar de macht greep, werd hij als plaatsvervanger aangesteld om leiding te geven in de oorlog in Judaea. Hij veroverde Jeruzalem in 70 en beëindigde hiermee de Joodse opstand die onder Nero was begonnen. In 71 vierde hij samen met zijn vader

een schitterende triomftocht.

Na de dood van zijn vader op 24 juni 79 volgde hij hem op en regeerde slechts twee jaar. In die korte periode waren er een aantal natuurrampen in Italië: de vulkanische erupties van de Vesuvius die in 79 Pompeii en Herculaneum in de as legden; het daaropvolgende jaar heerste een pestepidemie en verwoestte een verschrikkelijke brand een groot gedeelte van Rome.

In 80 voltooide hij het Amphitheatrum Flavium, waarvan de bouw onder Vespasianus begonnen was. Het werd later beroemd onder de naam Colosseum.

Hij stierf aan een koortsaanval op 42-jarige leeftijd op 13 september 81.

Titus stond model voor de hoofdpersoon in een opera genaamd "La Clemenza di Tito" van Mozart naar een libretto van Pietro Metastasio. In "Tite et Bérénice" van Pierre Corneille staat Titus' relatie met zijn minnares Julia Berenice centraal.

Germania verplaatst en vervangen door een nieuw legioen: de eerste Minervia. Hij slaagde er in de Chatti te onderwerpen en zo kwam een deel van Germania (het huidige Baden-Württemberg) in Romeinse handen. Hij kreeg echter te maken met een ernstige bedreiging van de Donau, de andere grensrivier, door de Quadi, Marcomanni en Daciërs en er werd een legioen vernietigd door de Sarmaten. Decebalus, de koning van Dacië trok de Donau over Moesië in en doodde Oppius Sabinus, de Romeinse gouverneur. Daarna trokken de Daciërs zich weer snel terug. Domitianus gaf echter niet op en stuurde zijn troepen Dacia in, waar ze porompt verslagen werden. Domitianus gaf echter niet op en stuurde generaal Antonius Julianus opnieuw het vijandelijke gebied in, met succes deze keer. Decebalus moest om vrede vragen en Domitianus hield een triomftoch in Rome. Toch was hiermee het Dacische gevaar niet geweken. Later zou Traianus daar pas een eind aan maken.

Domitianus werd vermoord in een samenzwering in zijn paleis waar zijn vrouw Domitia en officieren van de Praetoriaanse garde bij betrokken waren.